Geschiedenis van kerk en gemeente
Voor de reformatie
Het is vrijwel zeker dat de huidige kerk nog ongeveer op dezelfde plaats staat als de eerste kapel, die door de parochie van Lekkerkerk in 1455 werd gebouwd en door diens pastoor werd bediend. Evenals de meeste gemeenten in de Alblasserwaard, ging ook Nieuw-Lekkerland rond 1572 over tot de reformatie. In 1616 werd de kerkelijke verbinding met Lekkerkerk verbroken en werd Nieuw-Lekkerland een zelfstandige gemeente.
De kapel werd in 1492 vergroot en na toestemming van de Bisschop van Utrecht tot parochiekerk verheven.
Uit “informatie op de verpondingen van 1514” (zie “25 eeuwen Alblasserwaard” door M.W.Schakel) blijkt dat de parochie in die tijd werd bediend door pastoor Joost Janszoon.
Nieuw-Lekkerland, dat 2 jaar daarvoor voor een kwart door de Geldersen werd verbrand, had toen 60 huizen en 275 inwoners.
In 1567 schijnt Nieuw-Lekkerland Jan Jansz. als pastoor gehad te hebben, die ook de kerk van Elshout bediende. Hij werd in 1575 in Oudewater vermoord.Na de reformatie
De kerk ging in 1575, evenals de kerk van Alblasserdam, in vlammen op. Oorzaak van de branden was naar alle waarschijnlijkheid brandstichting door de Spanjaarden, die op 2 september van dat jaar onder leiding van Hierges de schans bij Elshout veroverden.
De combinatie Lekkerkerk/Nieuw-Lekkerland had toen Theodoricus Petri als predikant, die in 1579 werd opgevolgd door Clemens Roseus uit Bergambacht welke tot 1613 aan deze gemeenten verbonden bleef. Of de kerk, na de verwoesting door de Spanjaarden, is herbouwd is niet bekend, maar in een kerkenraadsboek wordt vermeld ‘In 1646 is de kerk merkelijk gerepareerd, hebbende lange tijd open gelegen en zeer gedestreert’.
De kerk bestond toen uit een schip, de zgn. Nieuwe kerk, en een koor, de zgn. Oude kerk, en was voorzien van een torenspits en een leiendak.
In 1703 werd de kap en het leiendak van het koor grondig gerepareerd.
Het koor werd in 1828 gesloopt en de vrijgekomen grond werd gebruikt voor uitbreiding van de begraafplaats, die toen zowel voor als achter de kerk was gelegen.
Verder werd ongeveer dezelfde tijd het gemeentebestuur toestemming verleend om tegen de westtorenmuur op kerkgrond een onderwijzerswoning met schoollokaal te bouwen.Zelfstandige gemeente
De namen van de predikanten die de gemeente Nieuw-Lekkerland daarna dienden staan op het predikantenbord in de consistoriekamer.
Het Orgel
Het kerkgebouw aan de Lekdijk is waarschijnlijk het derde dat op deze plaats staat. Het eerste, een kapel, dateerde van 1455. In 1495 werd de kapel vergroot en tot parochiekerk verheven. In 1575 is de kerk voor een groot gedeelte afgebrand en pas in 1646 hersteld. Deze kerk was in de eerste helft van de 19e eeuw weer aan vervanging toe. Op 5 januari 1852 riep ds. Boele van Schagen de kerkvoogdij bijeen om te vertellen dat de Ambachtsheer van Nieuw-Lekkerland, Fop Smit, een orgel wilde schenken. Fop Smit was eigenaar van een scheepswerf in Kinderdijk en had tevens een eigen rederij. Dankbaar aanvaardde men dit genereuze aanbod en volgens het notulenboek Het orgel werd geheel nieuw gebouwd met een voor die tijd heel modern vormgegeven pijpenfront. We noemen deze stijl Classicistisch. Het valt op dat Kam in zijn vormgeving (ook elders) nauw aansloot bij de vormen van en in het kerkgebouw. Dat is bijvoorbeeld te zien in de ronde boogvormen, die we ook in de ramen terugzien, maar ook het profiel van de kap van het orgel komt opvallend overeen met het klankbord van de kansel. De ornamenten van houtsnijwerk hebben nog iets meer een relatie naar eerdere stijlvormen. Zeer fraai is overigens ook de rijk bewerkte balustrade aan weerszijden van het orgel. De opzet van het front is vrijwel identiek aan het veel grotere orgel in de Nieuwe Kerk te Zierikzee, dat Kam & Van der Meulen vijf jaar eerder bouwden. Het orgel had in die tijd een roomwitte kleur. In 1914 is die gewijzigd in een eikenhoutimitatie. Dit had te maken met het feit dat de eikenhouten preekstoel en het doophek tot 1912 ook wit geschilderd waren, om een belasting op blank eiken meubilair – ingevoerd in de Franse tijd – te ontduiken. Toen dit meubilair weer blank gemaakt was, liet men het orgel ook overschilderen ‘in de kleur van het werk in de kerk’. Het orgel kreeg 17 stemmen (registers), verdeeld over twee klavieren. Er was een zgn. aangehangen pedaal, wat betekent, dat het verbonden was met de toetsen van het onderklavier. De dispositie (verdeling van de registers) was bij de oplevering als volgt: Deze dispositie en ook het klankbeeld kreeg nog wel wat klassieke elementen, zoals een zgn. tertsmixtuur, maar tegelijk meer moderne, zoals een ‘doorslaand’ tongwerk (Eoline). Ook de opstelling van de ‘werken’ (het pijpwerk dat behoort bij de afzonderlijke klavieren) was nieuw voor die tijd, nl. niet boven elkaar, maar achter elkaar. De windlade met het pijpwerk van het 2e klavier werd als Nevenwerk achterstevoren achter die van het 1e klavier (het Hoofdwerk) opgesteld. Dit maakte dat de orgelkast relatief diep moest worden. De onderste helft van de kast diende alleen voor de windvoorziening en de mechanieken. Het orgel werd aan de zijkant bespeeld. Op 2e Pinksterdag 16 mei 1853 werd het orgel ingewijd, waarbij ds. Boele van Schagen over Psalm 150:4 een inwijdingsrede hield. Een verslag daarvan vermeldt: Als eerste organist werd benoemd, de heer H.C. Helleman, onderwijzer aan de school te Elshout, tegen een traktement van ƒ 110,- per jaar, oftewel één gulden per dienst. De organist kreeg een instruktie van 12 artikelen. Eén van die artikelen luidde: Het orgel kon niet gebruikt worden zonder de diensten van een orgeltrapper, die ook officieel werd aangesteld en een traktement kreeg van één gulden per maand. Deze had een eigen ‘kamertje’in het orgel. Vanaf 1922 zorgde een elektrische windmotor voor de windvoorziening. In de oorlogsjaren is de handpompinstallatie, bij gebrek aan elektriciteit, nog gebruikt, maar in 1965 is deze verwijderd. Het orgel kreeg regelmatig onderhoud, eerst door de bouwer, daarna achtereenvolgens door de firma’s Van den Haspel, Standaart, Valckx & Van Kouteren, Spiering en Blank. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw kreeg het erg te lijden van heteluchtverwarming. Het heeft toen twee keer binnen 15 jaar een grote onderhoudsbeurt en restauratie ondergaan. Pas bij de laatste door fa. Blank in 1965 is voor het eerst iets aan de opzet van het orgel gewijzigd. Het enige 16′- register Bourdon (voor de donkerste bas-tonen) werd op een aparte windlade gezet om als zelfstandig register op het pedaal te kunnen klinken. Hierdoor ontbreekt sindsdien het 16′-register van het Hoofdwerk, wat een gemis is voor een goede klankopbouw met vooral het register Mixtuur, waarvan de samenstelling op deze 16′ pijplengte is gebaseerd. Er kwam voor de Bourdon een nieuw register in de plaats: de Quintadeen 8′. Ook kreeg het orgel toen twee afzonderlijke koppelingen van het Pedaal naar de twee klavieren, zodat de mogelijkheden voor pedaalspel flink uitgebreid werden. Dit is tot heden de situatie. In 2008 werd het orgel tot één van de monumentale onderdelen van de inventaris van de kerk verklaard. Dit werd de basis voor het verstrekken van een forse restauratiesubsidie in 2009 door de Rijksdienst. Een voorwaarde was, dat de restauratie volledig los moest staan van de uitbreiding met een vrij pedaal, om te voorkomen dat subsidiegelden van de Rijksdienst daaraan besteed zouden worden. Deze restauratie is in de periode van september 2009 – oktober 2010 uitgevoerd door de fa. Pels & Van Leeuwen uit ’s Hertogenbosch. Ook de orgelkast werd daarbij volledig opnieuw geschilderd in eikenhoutimitatie en de labia van de frontpijpen zijn van bladgoud voorzien door het plaatselijke schildersbedrijf Korteland. De originele tekst op de frontlijst over de schenking van het orgel door ‘den WelEdelen Heer Fop Smit van Nw-Lekkerland’ is gereconstrueerd en in goudverf aangebracht. De tweede fase, de uitbreiding van het orgel met een vrij pedaal is gerealiseerd in 2013. Het heeft nu twee pedaalstemmen, nl. een Subbas 16’, naar een voorbeeld van Kam en een Basson 16′, geënt op de factuur van een dergelijk register van Knipscheer, omdat van Kam geen voorbeeld (meer) beschikbaar was. Voor de Subbas is de windlade gebruikt, die Blank in 1965 had geplaatst om de baspijpen van de Bourdon als Subbas te laten spreken. Tot slot volgt hier nog een citaat uit het verslag van de ingebruikneming in 1853, dat verwoordt hoe het orgel destijds mocht bijdragen aan de eredienst, nl. “dat deze plechtigheid in de meest geregelde orde in het zingen met het orgel, op een hoogst voldoende wijze geschiedde en het één en ander tot algemeen genoegen en stichting is afgelopen.” Het is de wens dat het orgel tot in lengte van jaren hiertoe mag blijven bijdragen.Het is zeker dat in de nieuwe kerk nog geen orgel was en we kunnen stellen dat dit er in de oude kerk ook niet was. Enerzijds omdat toen in de dorpskerken van de Alblasserwaard nog helemaal geen orgels gebruikt werden; anderzijds blijkt het duidelijk uit de verslagen van de ingebruikneming van dit orgel. Bovendien was ter plaatse van het orgel tegen de torenwand een grote wijzerplaat (die nog aanwezig is) met wijzers die verbonden waren met het torenuurwerk. Tenslotte is in kasboeken terug te vinden dat in die tijd jaarlijks ƒ 22,50 , ofwel ƒ 0,20 per dienst aan een voorzanger werd betaald.
“…scheidde de vergadering met een verheugd gemoed, in het blijde vooruitzicht dat het Gode verheerlijkend gezang in Zijn bedehuis onder begeleiding van Orgeltoonen voortaan meer aan het verheven oogmerk en doel zal kunnen beantwoorden en tevens mede kan werken om het gemoed te openen voor de goede indrukken van Zijn Woord”.De opdracht werd gegeven aan de fa. Kam & Van der Meulen uit Rotterdam. Juist in dat jaar 1852 overleed op 28 augustus de firmant Hendrik van der Meulen, zodat we kunnen stellen dat ons orgel het eerste echte Kam-orgel is. Tot 1863 bouwde Willem Hendrik Kam nog een aantal orgels, waarvan dat in de Grote kerk van Dordrecht zijn grootste en ook bekendste werk is. Er is van ons orgel in het kerkelijk archief geen bestek teruggevonden; evenmin in het archief van de familie Smit.
Hoofdwerk (I):
Nevenwerk (II):
Prestant
8′
Prestant
8′
Bourdon
16′
Viola di Gamba
8′
Roerfluit
8′
Holpijp
8′
Octaaf
4′
Salicionaal
4′
Fluit
4′
Roerfluit
4′
Quint
3′
Gemshoorn
2′
Octaaf
2′
Eoline
8′
Cornet
V st. (diskant)
Mixtuur
III-IV st.
Trompet
8′
Pedaal: Aangehangen
(aan klavier I)
Koppelingen: I-II
Manuaalomvang: C-f”’
Pedaalomvang: C – d’
“Een talrijke schare, ook van elders opgekomen, woonde deze plegtigheid bij. Bij die gelegenheid werd dan ook bijzondere hulde en dank toegebracht aan de Weledele Heer Fop Smit van Nieuw-Lekkerland, die door dit aanzienlijk geschenk aan de gemeente aanmerkelijk veel toebracht tot verhoging van het godsdienstig gevoel, wanneer de eenparige lofzangen der gemeente tot verheerlijking van God en den Verlosser aangeheven, met de welluidende toonen des orgels gepaard gaan”.
’s Middags werd op uitnodiging van de schenker een bespeling gegeven door de heer B. Tours, organist van de Laurenskerk te Rotterdam, waarbij hij volgens een verslag “het orgel in al deszelfs welluidendheid en kracht heeft doen horen, waarbij het ten volle is gebleken, dat de heer Willem Hendrik Kam, orgelmaker te Rotterdam, wien de vervaardiging naar zijn vooraf opgemaakt plan is aanvertrouwd geweest, een man was van grote bekwaamheid in zijn vak en als zodanig met volle ruimte overal en te allen tijde aanbevolen kon worden”.
“De organist zal verpligt zijn, zich te onthouden van alle zulke kunstmatige bespelingen van het orgel welke voor de openbare Godsdienstoefening minder passend of doelmatig kunnen beschouwd worden”.
Aardig is, dat naar deze onderwijzer/organist nog een straat is vernoemd in het dorp, evenals naar de schenker, Fop Smit.Ruim 40 jaar na de restauratie door fa. Blank, was een grote onderhoudsbeurt nodig. Ook was er na twee kerkuitbreidingen (1966 en 1994) , waarbij het aantal zitplaatsen 2 ½ maal zo groot is geworden, behoefte aan een uitbreiding met enkele registers op het pedaal, om de draagkracht wat te vergroten. Er is na overleg met de Orgelcommissie van de Protestantse Kerk in Nederland door orgeladviseurs van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een plan opgesteld om het orgel waar nodig te herstellen en de Bourdon 16′ weer op het Hoofdwerk terug te plaatsen.
Daarvoor moest de in 1965 toegevoegde Quintadeen 8’ weer het veld ruimen. Ook moesten 30 pijpen voor de Bourdon nieuw gemaakt worden naar voorbeeld van Kam.
Doopboog
De smeedijzeren doopboog met drie koperen sierknoppen op het doophek is afkomstig uit de vorige kerk.
De doopboog is vermoedelijk gemaakt in de tweede helft van de 17e eeuw.
Voorlezersstandaard
Voorlezersstandaard met kandelaars (2e helft 17e eeuw)
De eiken voorlezersstandaard en de twee gedraaide koperen kandelaars op het doophek zijn afkomstig uit de vorige kerk.
Doophek
Het doophek zou zijn gemaakt in de 3e kwart van de 17e eeuw. Mogelijk is het het reeds gemaakt bij de bouw van de vorige kerk in 1646.
Het doophek is in 1912 ontdaan van het witte schilderwerk wat in de Franse tijd zou zijn aangebracht i.v.m. een toenmalige belasting op het bezit van eikenhout.
Op het doophek een doopboog, een eikenhouten voorlezersstandaard en 2 gedraaide koperen kandelaars, allen waarschijnlijk gemaakt in de 2e helft van de 17e eeuw.
Preekstoel
De preekstoel met klankbord en ruggeschot met vleugels zou zijn gemaakt in de 3e kwart van de 17e eeuw. Mogelijk zijn zij reeds gemaakt bij de herbouw van de vorige kerk in 1646. De huidige voet van de preekstoel is later aangebracht. Oorspronkelijk stond de preekstoel op 6 spiraalvormige kolommen.
Naamlijst van predikanten vanaf 1616 die Nieuw-Lekkerland gediend hebben.
Een nieuwe kerk
Al spoedig bleek dat het schip, waarin toen gekerkt werd, ook niet al te best meer was, zodat er een aanzienlijke reparatie nodig was. Verder lag de vloer van de kerk ‘enige voeten lager dan de kruin van de dijk, waardoor de uitoefening van de openbare godsdienst meer dan eenmaal verhinderd werd door invloeijing en het in de kerk zo vochtig was dat de matten van de niet lang geleden ingebrachte stoelen bijna allen moesten vernieuwd worden’. Hiervoor werd een ontwerp gemaakt door bouwmeester D. Slingerland uit Meerkerk. De kosten werden geraamd op ca. f 14.000,–. De kerkvoogdij had geen geld en kon niet meer bijdragen dan f 4000,–. Verschillende verzoekschriften om subsidie werden verzonden aan Z.M. den Koning, aan de Gedeputeerde Staten van Z.H. en aan de Algemeene Christelijke Synode, die elk f 2000,– toekenden. Voor het resterende tekort wordt een geldlening aangegaan van f 12.000,– bestaande uit 60 aandelen groot f 200,–. De uiteindelijke bouwkosten, inclusief het plaatsen en afbreken van een noodkeet, waarin gedurende de bouw van de kerk de godsdienstoefeningen werden gehouden, bedroegen f 17.033,24. De eerste godsdienstoefening in de nieuwe kerk, waarvoor de eerste steen werd gelegd op 26 mei 1847, werd gehouden op zondag 30 januari 1848. In 1853 werd de kerk voorzien van een orgel geschonken door de ambachtsheer Fop Smit.
Anderzijds zou de kerk jaarlijks meerder inkomen hebben wanneer aan de veelvuldige aanvragen om zitplaatsen tegen een jaarlijkse contributie, kon worden voldaan.
Dit lezen we in een brief van 11 juli 1841 van de kerkvoogden aan het gemeentebestuur.
Uiteindelijk werd besloten een nieuwe kerk te bouwen.
Eerste kerkuitbreiding
Vanwege een tekort aan zitplaatsen werd de kerk in 1966/67 aan de noordzijde uitgebreid.
Tweede kerkuitbreiding
Ditzelfde probleem deed zich 25 jaar later weer voor. Opnieuw werden uitbreidingsplannen gemaakt wat uiteindelijk in 1994 resulteerde in een nieuwe uitbreiding aan de noordzijde waarmee de huidige toestand ontstond. De uitbreiding van 1966/67 werd hierbij geheel gesloopt.